Genesis



Genesis 44


En hij gebood dengene, die over zijn huis was, zeggende: Vul de zakken dezer mannen met spijze, naar dat zij zullen kunnen dragen, en leg ieders mans geld in den mond van zijn zak;

Tweet thisPost on Facebook

En mijn beker, den zilveren beker, zult gij leggen in den mond van den zak des kleinsten, met het geld van zijn koren. En hij deed naar Jozefs woord, hetwelk hij gesproken had.

Tweet thisPost on Facebook

Des morgens, als het licht werd, zo liet men deze mannen trekken, hen en hun ezelen.

Tweet thisPost on Facebook

Zij zijn ter stad uitgegaan; zij waren niet verre gekomen, als Jozef tot dengene, die over zijn huis was, zeide: Maak u op, en jaag die mannen achterna; en als gij hen zult achterhaald hebben, zo zult gij tot hen zeggen: Waarom hebt gij kwaad voor goed vergolden?

Tweet thisPost on Facebook

Is het deze niet, waaruit mijn heer drinkt? en waarbij hij [iets] zekerlijk waarnemen zal? Gij hebt kwalijk gedaan, wat gij gedaan hebt.


En hij achterhaalde hen, en sprak tot hen diezelfde woorden.

Tweet thisPost on Facebook

En zij zeiden tot hem: Waarom spreekt mijn heer zulke woorden? Het zij verre van uw knechten, dat zij zodanig een ding doen zouden.

Tweet thisPost on Facebook