2 Korinthiers



2 Korinthiers 4


Daarom dewijl wij deze bediening hebben, naar de barmhartigheid, die ons geschied is, zo vertragen wij niet;

Tweet thisPost on Facebook

Maar wij hebben verworpen de bedekselen der schande, niet wandelende in arglistigheid, noch het Woord Gods vervalsende, maar door openbaring der waarheid onszelven aangenaam makende bij alle gewetens der mensen, in de tegenwoordigheid Gods.


Doch indien ook ons Evangelie bedekt is, zo is het bedekt in degenen, die verloren gaan;


In dewelke de god dezer eeuw de zinnen verblind heeft, [namelijk] der ongelovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting van het Evangelie der heerlijkheid van Christus, Die het Beeld Gods is.


Want wij prediken niet onszelven, maar Christus Jezus, den Heere; en onszelven, [dat] [wij] uw dienaars [zijn] om Jezus' wil.

Tweet thisPost on Facebook