Marcus



Marcus 12


Toen begon hij tot hen in gelijkenissen te spreken. Iemand had een wijngaard beplant, dien omtuind, een persbak er in uitgehouwen en een toren gebouwd; hij verpachtte hem en ging op reis.


Op den rechten tijd zond hij tot de pachters een slaaf om van hen een deel van de vruchten van den wijngaard in ontvangst te nemen.

Tweet thisPost on Facebook

Maar zij sloegen hem en zonden hem met leege handen weg.

Tweet thisPost on Facebook

Toen zond hij een anderen slaaf tot hen; ook dezen sloegen zij op zijn hoofd en scholden hem uit.

Tweet thisPost on Facebook

Weer een anderen zond hij; dien doodden zij. Nog vele andere, en zij sloegen dezen en doodden genen.


Nu had hij nog eenen, een geliefden zoon. Dezen zond hij het laatst tot hen, denkend: Zij zullen mijn zoon ontzien.


Maar de pachters zeiden bij zichzelf: Dat is de erfgenaam; komt, laten wij hem dooden; dan zal de erfenis ons eigendom zijn.


Zoo grepen zij hem, doodden hem en wierpen hem uit den wijngaard.


Wat zal dan de eigenaar van den wijngaard doen? Hij zal komen, de pachters ombrengen en den wijngaard aan anderen geven.


Hebt gij dit schriftwoord niet gelezen: De steen dien de bouwlieden hebben afgekeurd, die is hoeksteen geworden;


vanwege den Heer is dit geschied, en het is een wonder in ons oog?


Toen zochten zij hem in hun macht te krijgen; maar zij vreesden de schare; zij begrepen wel dat hij die gelijkenis op hen gezegd had. Zij lieten hem dan staan en gingen heen.


Eens zonden zij tot hen eenige Farizeen en Herodianen om hem door een woord te vangen.


Toen dezen bij hem kwamen, zeiden zij: Meester, wij weten dat gij een oprecht mensch zijt en u aan niemand stoort; want gij ziet niemand naar de oogen en leert den weg Gods naar waarheid. Is het geoorloofd den keizer belasting te geven of niet? Zullen wij geven of niet geven?


Maar hij, die hun geveinsdheid kende, zeide tot hen: Wat stelt gij mij op de proef? Geeft mij een zilverling om hem eens te bezien.

Tweet thisPost on Facebook

Zij brachten hem er een. Hij zeide tot hen: Wie is dat? Hoe luidt het opschrift? Zij zeiden tot hem: Dat is de keizer.

Tweet thisPost on Facebook

Цару царево

Toen zeide Jezus tot hen: Geeft den keizer wat des keizers is en Gode wat Gods is. En zij stonden verbaasd over hem.

Tweet thisPost on Facebook

Ook Sadduceen, die zeggen dat er geen opstanding is, kwamen tot hem en vroegen hem:


Meester, Mozes heeft ons voorgeschreven, dat, als iemands broeder sterft en een vrouw achterlaat, zonder kinderen, zijn broeder de vrouw moet nemen en voor zijn broeder nakomelingen verwekken.


Nu waren er eens zeven broeders; de eerste nam een vrouw en liet toen hij stierf geen kroost na.

Tweet thisPost on Facebook

Toen nam de tweede haar en stierf ook kinderloos; de derde desgelijks.

Tweet thisPost on Facebook

Geen der zeven liet kroost na. Na allen stierf ook de vrouw.

Tweet thisPost on Facebook

In de opstanding nu, wanneer zij opstaan, van wien van hen zal zij de vrouw zijn? Want alle zeven hebben haar tot vrouw gehad.

Tweet thisPost on Facebook

Jezus zeide tot hen: Dwaalt gij op dit punt niet door noch de Schrift noch de kracht Gods te kennen?


Want wanneer zij uit de dooden opstaan, huwen zij niet en worden niet uitgehuwelijkt, maar zijn als engelen in de hemelen.


En wat betreft de doodenopwekking zelf, hebt gij niet in het boek van Mozes, in het verhaal van het braambosch, gelezen, hoe God hem zeide: Ik ben de God van Abraham, de God van Izaak, de God van Jakob?


Hij is geen God van dooden, maar van levenden. Gij dwaalt zeer.

Tweet thisPost on Facebook

En een der schriftgeleerden, die hen had hooren redetwisten, kwam nader, en daar hij begreep dat hij hun een goed antwoord had gegeven, vroeg hij hem: Wat is het allereerste gebod?


Jezus antwoordde hem: Het eerste is: Hoor, Israel, de Heer onze God is de eenige Heer;


en gij zult den Heer uw God liefhebben met uw gansche hart, uw geheele ziel, al uw verstand en al uw kracht.

Tweet thisPost on Facebook

Het tweede is dit: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Grooter dan deze geboden is er geen.


Toen zeide de schriftgeleerde tot hem: Juist, meester; naar waarheid hebt gij gezegd dat Hij de Eenige is en er geen buiten Hem is;


en Hem lief te hebben met het gansche hart, alle verstand en alle kracht en den naaste lief te hebben als zichzelf is beter dan brandoffers en alle andere offers.


Toen Jezus zag dat hij verstandig sprak, zeide hij tot hem: Gij zijt niet ver van het Godsrijk. Niemand durfde verder hem iets vragen.


Nu nam Jezus het woord en sprak, toen hij in den tempel leerde: Hoe kunnen de schriftgeleerden zeggen dat de Christus Davids zoon is?


David zelf heeft toch door den Heiligen Geest gezegd: De Heer heeft gezegd tot mijn heer: Zit aan mijn rechterhand totdat Ik uw vijanden maak tot uw voetbank.


Als David zelf hem heer noemt, hoe is hij dan zijn zoon? (-)De talrijke schare hoorde hem gaarne.


En bij zijn onderricht zeide hij: Wacht u voor de schriftgeleerden, die er van houden in deftige kleedij rond te gaan en op de markten gegroet te worden,


vooraan te zitten in de synagogen en de hoogste plaatsen bij maaltijden in te nemen;

Tweet thisPost on Facebook

zij, die de huizen der weduwen opeten en voor den schijn lange gebeden doen, zij zullen te zwaarder vonnis krijgen.


Eens zag hij, tegenover de offerkist gezeten, het aan, hoe de schare koperstukken in de offerkist wierp. Menige rijke wierp er veel in,


Сиромашна удовица прилаже дар

en een arme weduwe kwam er twee penningen, samen een halven stuiver, in werpen.


Toen riep hij zijn leerlingen tot zich en zeide: Voorwaar, ik zeg u, die arme weduwe heeft meer in de offerkist geworpen dan alle anderen;


want allen gaven van hun overvloed, zij gaf van haar armoede, alwat zij voor levensonderhoud had.







This goes to iframe