1 Kronieken



1 Kronieken 11


Toen vergaderde zich gans Israel tot David naar Hebron, zeggende: Zie, wij zijn uw gebeente en uw vlees.


Zelfs ook te voren, toen Saul nog koning was, hebt gij Israel uitgeleid en ingeleid; ook heeft de HEERE, uw God, tot u gezegd: Gij zult Mijn volk Israel weiden, en gij zult voorganger zijn van Mijn volk Israel.

Tweet thisPost on Facebook

Ook kwamen alle oudsten in Israel tot den koning naar Hebron, en David maakte een verbond met hen te Hebron, voor het aangezicht des HEEREN; en zij zalfden David ten koning over Israel, naar het woord des HEEREN, door den dienst van Samuel.


En David toog henen, en gans Israel, naar Jeruzalem, welke is Jebus; want daar waren de Jebusieten, de inwoners des lands.


En de inwoners van Jebus zeiden tot David: Gij zult hier niet inkomen. David dan nog won den burg Sion, welke is de stad Davids.

Tweet thisPost on Facebook

Want David zeide: Al wie de Jebusieten het eerst slaat, zal tot een hoofd, en tot een overste worden. Toen beklom Joab, de zoon van Zeruja, dien het eerst; daarom werd hij tot een hoofd.

Tweet thisPost on Facebook

David nu woonde op den burg; daarom heet men dien de stad Davids.

Tweet thisPost on Facebook

En hij bouwde de stad rondom, van Millo af, en rondom henen; en Joab vernieuwde het overige der stad.

Tweet thisPost on Facebook

En David ging geduriglijk voort, en werd groot, want de HEERE der heirscharen was met hem.


Dezen nu waren de hoofden der helden, die David had, die zich dapper bij hem gedragen hebben in zijn koninkrijk bij geheel Israel, om hem koning te maken, naar het woord des HEEREN over Israel.


Dezen nu zijn van het getal der helden, die David had: Jasobam, de zoon van Hachmoni, was het hoofd der dertigen, die zijn spies tegen driehonderd opheffende, hen op eenmaal versloeg.


En na hem was Eleazar, de zoon van Dodo, de Ahohiet; hij was onder die drie helden.


Hij was met David te Pas-dammim, als de Filistijnen daar ten strijde vergaderd waren, en het stuk des akkers vol gerst was, en het volk voor het aangezicht der Filistijnen vlood;

Tweet thisPost on Facebook

En zij stelden zich in het midden van dat stuk, en beschermden het, en zij sloegen de Filistijnen; en de HEERE verloste hen door een grote verlossing.

Tweet thisPost on Facebook

En drie uit de dertig hoofden togen af naar den rotssteen tot David in de spelonk van Adullam; en het leger der Filistijnen had zich gelegerd in het dal Refaim.


En David was toen in de vesting en de bezetting der Filistijnen was toen te Bethlehem.

Tweet thisPost on Facebook

En David kreeg lust, en zeide: Wie zal mij water te drinken geven uit Bethlehems bornput, die onder de poort is?

Tweet thisPost on Facebook

Toen braken die drie door het leger der Filistijnen, en putten water uit Bethlehems bornput, die onder de poort is, en zij droegen het en brachten het tot David. Doch David wilde het niet drinken, maar hij goot het uit voor den HEERE;

Tweet thisPost on Facebook

En hij zeide: Dat late mijn God verre van mij zijn, van zulks te doen! Zou ik het bloed dezer mannen drinken? Met gevaar huns levens, ja, met gevaar huns levens hebben zij dat gebracht. En hij wilde het niet drinken. Dit deden de drie helden.

Tweet thisPost on Facebook

Abisai nu, de broeder van Joab, was ook het hoofd van drie; en hij, verheffende zijn spies tegen driehonderd, versloeg hen; alzo had hij een naam onder die drie.


Uit die drie was hij geeerd boven de twee; daarom werd hij hun tot een overste; maar hij kwam tot aan de [eerste] drie niet.


Benaja, de zoon van Jojada, de zoon eens dapperen mans van Kabzeel, was groot van daden; hij versloeg twee sterke leeuwen van Moab; ook ging hij af, en versloeg een leeuw in het midden des kuils, in den sneeuwtijd.


Hij versloeg ook een Egyptischen man, een man van grote lengte, van vijf ellen; en die Egyptenaar had een spies in de hand, als een weversboom; maar hij ging tot hem af met een staf, en rukte de spies uit de hand des Egyptenaars, en hij doodde hem met zijn [eigen] spies.

Tweet thisPost on Facebook

Deze dingen deed Benaja, de zoon van Jojada; dies had hij een naam onder die drie helden.

Tweet thisPost on Facebook

Ziet, hij was de heerlijkste van die dertig; nochtans kwam hij tot aan de drie niet. En David stelde hem over zijn trawanten.

Tweet thisPost on Facebook

De helden nu der heiren waren: Asahel, de broeder van Joab; Elhanan, de zoon van Dodo, van Bethlehem;


Sammoth, de Harodiet; Helez, de Peloniet;

Tweet thisPost on Facebook

Ira, de zoon van Ikkes, de Thekoiet; Abiezer, de Anathothiet;


Sibbechai, de Husathiet; Ilai, de Ahohiet;

Tweet thisPost on Facebook

Maharai, de Netofathiet; Heled, de zoon van Baana, de Netofathiet;

Tweet thisPost on Facebook

Ithai, de zoon van Ribai, van Gibea der kinderen Benjamins; Benaja, de Pirhathoniet;

Tweet thisPost on Facebook

Hurai, van de beken van Gaas; Abiel; de Arbathiet;

Tweet thisPost on Facebook

Azmaveth, de Baharumiet; Eljahba, de Saalboniet;

Tweet thisPost on Facebook

[Van] de kinderen van Hasem, den Gizoniet, was Jonathan, de zoon van Sage, de Harariet;

Tweet thisPost on Facebook

Ahiam, de zoon van Sachar, de Harariet; Elifal, de zoon van Ur;

Tweet thisPost on Facebook

Hefer, de Mecherathiet; Ahia, de Peloniet;

Tweet thisPost on Facebook

Hezro, de Karmeliet; Naari, de zoon van Ezbai;

Tweet thisPost on Facebook

Joel, de broeder van Nathan; Mibhar, de zoon van Geri;

Tweet thisPost on Facebook

Zelek, de Ammoniet; Nahrai, de Berothiet, wapendrager van Joab, den zoon van Zeruja;

Tweet thisPost on Facebook

Ira, de Jithriet; Gareb, de Jithriet;


Uria, de Hethiet; Zabad, de zoon van Ahlai;


Adina, de zoon van Siza, de Rubeniet, was het hoofd der Rubenieten; nochtans waren er dertig boven hem;

Tweet thisPost on Facebook

Hanan, de zoon van Maacha, en Josafat, de Mithniet;

Tweet thisPost on Facebook

Uzzia, de Asterathiet; Sama, en Jeiel, de zoon van Hotham, den Aroeriet;

Tweet thisPost on Facebook

Jediael, de zoon van Simri, en Joha, zijn broeder, de Tiziet;

Tweet thisPost on Facebook

Eliel, Hammahavim en Jeribai, en Josavia, de zonen van Elnaam; en Jithma, de Moabiet;

Tweet thisPost on Facebook

Eliel en Obed, en Jaaziel van Mezobaja.

Tweet thisPost on Facebook






This goes to iframe